Wat speelt er?
De huisarts is al jarenlang huisarts van beide ouders en hun twee minderjarige kinderen. Tijdens een conflictueuze scheiding ontstaan zorgen over de kinderen, waarna Veiligheidsketenpartners betrokken raken en de Raad voor de kinderbescherming een onderzoek start. Met toestemming van beide ouders benadert de Raad voor de kinderbescherming de huisarts als informant.
In zijn contacten met de Raad voor de kinderbescherming verstrekt de huisarts niet alleen feitelijke informatie uit zijn eigen professionele waarnemingen, maar uit hij ook zorgen en oordelen over de pedagogische kwaliteiten van de vader. Daarnaast adviseert hij een ondertoezichtstelling van de kinderen. Volgens de huisarts handelt hij vanuit zorg voor de kinderen.
Oordeel van de commissie
De commissie stelt vast dat de huisarts informatie aan de Raad voor de kinderbescherming mag verstrekken. Er is sprake van een onderzoek naar een mogelijke ontwikkelingsbedreiging van de kinderen en beide ouders hebben toestemming gegeven voor het delen van informatie. Toch handelt de huisarts volgens de commissie niet in overeenstemming met de KNMG-Meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld. De kern van het verwijt is dat hij meer informatie verstrekt dan noodzakelijk is en zich niet beperkt tot feitelijke gegevens en eigen professionele bevindingen. De commissie vindt het onjuist dat de huisarts zich uitlaat over de pedagogische kwaliteiten van de vader, een ondertoezichtstelling adviseert en vermoedens, zorgen en waardeoordelen deelt die onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd. Ook verstrekt hij informatie die niet uit het medisch dossier of uit eigen waarnemingen is te herleiden. Volgens de commissie is het niet aan een behandelend huisarts om te beoordelen of een kinderbeschermingsmaatregel nodig is of welke ouder het meest geschikt is voor de opvoeding. Die beoordeling behoort toe aan de Raad voor de kinderbescherming en uiteindelijk aan de kinderrechter.
Een tweede klachtonderdeel, waarin de vader stelt dat de huisarts hem vooraf had moeten informeren over eerdere contacten met Veilig Thuis en andere betrokken instanties, verklaart de commissie ongegrond. De commissie oordeelt dat de huisarts geen melding bij Veilig Thuis doet, geen zorgvuldigheidsnorm schendt en binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening blijft.
De meldcode kindermishandeling in het kort
De Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling ondersteunt professionals bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling. Voor zorgprofessionals is het werken volgens deze meldcode verplicht.
De meldcode bestaat uit vijf stappen:
- Signalen in kaart brengen.
- Overleggen met een collega en zo nodig Veilig Thuis raadplegen.
- In gesprek gaan met betrokkenen.
- De ernst van de situatie wegen.
- Beslissen over hulp organiseren en/of melden bij Veilig Thuis.
Bij acute of structurele onveiligheid, of wanneer passende hulp onvoldoende mogelijk is, is een melding bij Veilig Thuis aangewezen. Alle stappen worden zorgvuldig vastgelegd in het dossier. Voor artsen geldt daarnaast dat informatieverstrekking aan de Raad voor de kinderbescherming zo feitelijk mogelijk plaatsvindt. Het uitgangspunt is het delen van relevante medische feiten en eigen professionele observaties. Waardeoordelen, speculaties of adviezen over kinderbeschermingsmaatregelen horen daar in beginsel niet bij.
Conclusie
Deze uitspraak laat zien dat een huisarts bij contacten met Veilig Thuis of de Raad voor de kinderbescherming een belangrijke signalerende en informerende rol heeft, maar terughoudend moet blijven in zijn beoordeling. Feitelijke informatie en eigen professionele waarnemingen kunnen worden gedeeld wanneer dat noodzakelijk is. Het geven van waardeoordelen over opvoedvaardigheden of het adviseren van kinderbeschermingsmaatregelen overschrijdt echter de rol van de behandelend huisarts. Zorgvuldige dossiervoering en een scherp onderscheid tussen feiten, observaties en interpretaties blijven daarbij van groot belang.
